Geachte aanwezigen,
Vandaag openen we het Moluks‑Haagse pop‑up museum, op een dag die nooit zomaar een dag is.
De 14e augustus, aan de vooravond van de herdenking van het einde van de Tweede Wereldoorlog in Azië, is een moment waarop verleden en heden elkaar raken.
En precies dat doet dit museum ook.
Het vertelt het verhaal van meer dan 75 jaar Molukkers in Den Haag.
De woorden ‘meer dan’ zijn hier essentieel.
Want de geschiedenis van Molukse gezinnen in onze stad begint al vóór 1951.
Het is een geschiedenis van hoop, van veerkracht, maar ook van tragiek.
In zes zeecontainers wordt dat verhaal zichtbaar gemaakt.
Vijf containers tonen de bredere Molukse geschiedenis, inclusief de koloniale tijd.
De zesde container – samengesteld door Jickey Tuheteru‑Traxel – laat zien hoe diep de Molukse wortels in Den Haag reiken.
Het is een geschiedenis die niet alleen in boeken staat, maar geworteld is in families, in wijken, in generaties.
We zien het verhaal van Henk Poetiray, verzetsheld uit de Haagse Bomenbuurt, die gevangenschap in nazi-Duitsland overleefde.
En het verhaal van de delegatie Aponno, die ervoor zorgde dat Molukse militairen en hun gezinnen naar Nederland kwamen.
Sergeant‑majoor Aponno woonde met zijn gezin vanaf 1950 in Den Haag, hier 100 meter vandaan in de Kazernestraat.
Verschillende kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen wonen nog steeds in Den Haag.
Het zijn verhalen die laten zien hoe lang de Molukse gemeenschap al deel uitmaakt van onze stad.
Veel van de verhalen die dit museum vertelt, doen pijn.
We weten allemaal waarom.
In 1951 kwamen duizenden Molukkers naar Nederland – met de belofte dat zij na zes maanden naar huis zouden terugkeren.
De terugkeer kwam er niet.
In plaats daarvan volgden jaren van opvang in voormalige concentratiekampen zoals Westerbork en Vught.
Jaren van onzekerheid, van gemis, van een toekomst die anders liep dan beloofd.
Het is een tragiek die generaties heeft gevormd:
Het gemis van het eigen land.
Het verlangen naar een republiek die niet werd erkend.
De kille behandeling hier, het gevoel niet gezien te worden.
Die pijn is niet verdwenen.
Maar ze is wél eindelijk erkend.
Op 21 juni bood premier Jetten namens de Nederlandse regering excuses aan voor de behandeling van de eerste generatie Molukkers.
Hij zei: “Voor het harteloze en eerloze ontslag als militair, voor de gebrekkige opvang en huisvesting, voor niet gezien en in de steek gelaten worden… daarvoor bied ik vandaag excuses aan.”
Die woorden waren nodig.
Ze waren laat.
Maar ze waren belangrijk.
Den Haag is een stad waar eeuwenlang het koloniale bestuur vorm is gegeven.
Beslissingen die het leven van Molukkers diep hebben geraakt, zijn hier genomen.
Juist daarom is het betekenisvol dat dit museum hier, op het Lange Voorhout, staat.
En juist daarom is het belangrijk dat organisaties zoals Stichting Maluku Den Haag en Stichting Moluks Erfgoed de afgelopen jaren zoveel hebben gedaan om de gedeelde geschiedenis zichtbaar te maken.
Van taallessen en tifa‑bouw* tot evenementen met Haagse partners, bijdragen aan het Haags Verhaal en optredens in het Paard.
Het is een beweging die de diversiteit van Den Haag laat zien, die verbindt, die pijn bespreekbaar maakt en gericht is op een gezamenlijke toekomst zonder het gedeelde verleden te vergeten.
Want dit museum kijkt niet alleen terug.
Het kijkt vooruit.
Het laat zien dat de derde en vierde generatie Molukkers in Den Haag het stokje heeft overgenomen van hun voorouders.
Dat zij de verhalen blijven vertellen.
Dat zij de verbinding met de stad blijven leggen.
En dat Den Haag – eindelijk, en steeds meer – luistert.
Met diepe waardering, en met respect voor alle generaties die dit verhaal dragen, verklaar ik het Moluks‑Haagse pop‑up museum officieel geopend.
*(een Molukse trommel)