Dankwoord bij de presentatie van de dichtbundel van Hans Franse ‘Luister, rijke kijkdagen’, Pulchri Studio, 1 maart 2026
Beste Hans Franse,
Heel veel dank.
En wat bijzonder dat u met ons uw herinneringen aan het bombardement op het Bezuidenhout deelde.
Eerder vandaag was ik bij de herdenking.
Steeds weer een aangrijpende gebeurtenis.
En in deze tijden van oorlog, bijvoorbeeld in Oekraïne, van beklemmende actualiteit.
We hebben bovendien nog iets gemeenschappelijks, behalve de voorliefde voor taal, zo heb ik begrepen.
Als kind woonde u in Amstelveen, de plaats waar ik mijn loopbaan als burgemeester ben begonnen, op 1 juli 2005 (ben ereburger van Amstelveen).
Terwijl ik me daar vooral met aardse zaken – lees: de gemeentepolitiek – bezighield, was Amstelveen voor u de plek waar u uw eerste gedichten schreef, als puber (al noemden we dat toen nog niet zo).
Deze bundel is een aanwinst voor mijn gestaag groeiende ‘Haagse collectie’ in mijn niet-lege boekenkast.
Ik heb begrepen dat verschillende gedichten in uw boek Den Haag bezingen.
Het Voorhout, bijvoorbeeld, waar wij ons nu bevinden.
Staat u mij toe dat ik het voorlees?
Vind het namelijk erg mooi:
“NOVEMBERAVOND OP HET VOORHOUT
Als een vale rood pluchen zon
wegzakt boven het Noordeinde
en omfloerste sterren
bedeesd stralen boven de doezelende stad,
een naar tule vragende maan
traag haar gazen sluier zoekt,
de bomen even haperen met ademhalen,
dan wordt het koud
op Voorhout en Denneweg.
Den Haag wordt geschapen
door een schemering in november,
een dromende stad in de kou.”
Ik denk dat we het er allemaal over eens zijn dat het Voorhout een van de mooiste plekken van Den Haag is.
Constantijn Huygens wijdde er al een gedicht aan.
Het bestond uit maar liefst 105 strofen van acht regels elk en hij noemde het ‘Batava Tempe’: de Nederlandse variant van het mooie dal in het Noord-Griekse Thessalië.
Een plek die al in de Oudheid werd bezongen om zijn schoonheid en waar beroemde verhalen uit de Griekse mythologie zijn gesitueerd.
U heeft minder woorden nodig om het bijzondere van het Voorhout op te roepen, maar weet ons daarmee direct in het hart te raken.
“… omfloerste sterren
bedeesd stralen boven de doezelende stad …”
Meneer Franse, u durft zichzelf geen dichter te noemen.
Maar als iemand een dichter is, dan bent u het.
U weet het woord tot levend brengend fenomeen te maken.
U heeft bovendien humor.
Ik lees daarom graag nog een gedicht voor:
“MEDITATION DE THAÏS
Mijn vader wilde zijn viool laten zingen
zoals hij zelf zong met zijn donkere warme stem.
Vooral de lage snaren trilden in de zomerlucht
als hij speelde met het raam open.
Hij wilde dan dat zijn viool
de ‘Méditation de Thaïs’ zou zingen,
(van Jules Massenet, dat moet gezegd)
maar hij haalde de slotfageolet niet
en dat was jammer, hij deed dan
langzaam het raam dicht,
liet zijn hoofd hangen en zong even niet.
Ik heb een vrouw ontmoet
die echt Thaïs heette
ze mediteerde niet, ze speelde geen viool,
ze zong niet, had nog nooit van Massenet gehoord,
maar ze loenste
en dat was ook wel aardig.”
Nogmaals, heel veel dank, voor zowel de gedichtenbundel als voor de bundel ‘Heel Den Haag in de palm van mijn hand’.